schrijven

aantal woorden per dag

De schrijver met het strafste schrijfregime ter wereld was waarschijnlijk Anthony Trollope (1815 – 1882). Als de Brit aan een roman werkte, staarde hij altijd met een schuin oog naar een horloge. Hij eiste van zichzelf dat hij elk kwartier 250 woorden schreef. Die routine maakte hem bijzonder productief. Trollope schreef slechts drie uur per dag – van 5.30 tot 8.30 – omdat hij overdag kantoormedewerker was bij de Britse post. Toch publiceerde hij in 35 jaar 49 boeken, waarvan sommige meer dan zeshonderd bladzijdes telden.

In zijn autobiografie beschrijft hij hoe ver hij ging om elke dag aan zijn minimum aantal woorden te komen. Als hij een kwartier voordat hij naar zijn werk ging één van zijn romans afrondde, schreef hij onderaan de pagina in grote letters het woord ‘EINDE’ om vervolgens een nieuw vel papier te pakken en de eerste 250 woorden van zijn nieuwe roman te schrijven (lees ook: hoeveel woorden heeft een boek?).

Hoe veel woorden schrijft een schrijver per dag?

Trollope is was misschien wat obsessief bezig met zijn schrijfwerk. Maar een woordenquotum kan elke schrijver van pas komen om zijn verhaal vooruit te stuwen. Het gevaar is namelijk dat je een eerste versie te angstig schrijft, dat je te lang wikt en weeg over elk woord en elke komma.

Een streefaantal woorden als richtpunt biedt houvast. Het herinnert je eraan dat je soms gewoon door moet schrijven en je innerlijke corrector moet uitschakelen – een eerste versie hoeft namelijk niet perfect te zijn. Het is veel belangrijker dat je verhaal vaart houdt.

Dat wil niet zeggen dat elke schrijver minimaal 250 woorden per kwartier moet schrijven op een dag. Misschien heb je meer het arbeidsethos van Ernest Hemingway, werk je net zo langzaam als Harper Lee, of hoop je het bizarre schrijftempo van de Britse detectiveauteur John Creasey te benaderen.

Hieronder vind je de woordenquota van elf beroemde schrijvers en schrijfsters. Welk schrijfritme past bij jou?

Read more

zakelijke mail

In deze post lees je een klein drama over een zakelijke mail die ik stuurde, maar je krijgt ook informatie over de seksuele gewoontes van vleermuizen.

‘Hij heeft nog steeds niet geantwoord’, zei ik tegen een kantoorgenoot. Ik was heen en weer aan het mailen met een redacteur van een krant over een reisverhaal dat ik wilde maken. Ongeduldig zat ik te wachten totdat hij mijn laatste bericht zou beantwoorden, al drie dagen checkte ik om het halfuur in mailbox.

Ik was eerst vooral verontwaardigd dat hij niet reageerde. Toen besefte ik: zelf wacht ik soms ook lang met het beantwoorden van e-mails. Zelfs als ik weet dat de afzender erop zit te wachten.

Vorig jaar schreef ik een artikel in de Volkskrant over de vraag waarom het zo lastig is om praatjes aan te knopen met vreemden. Mijn mailbox zat een dag later vol met mails van mensen die zich in het verhaal herkenden.

Ik beantwoordde ze allemaal, behalve het langste bericht. Het kwam van een vrouw die regelmatig probeerde om praatjes te maken met onbekenden, maar meestal werd afgewimpeld.

Ze vroeg hoe ik te werk was gegaan, wat ik van haar verhaal vond, of haar aanpak niet raar was en ze deed een paar jeugdervaringen uit de doeken.  Het mailtje bestond uit zeker zes alinea’s met vragen en ervaringen.

Ik was vereerd door haar mail, maar ook geïmponeerd. Door de lap tekst had ik het gevoel dat ik een lange, indrukwekkende e-mail moest terugsturen, maar ik wist niet precies wat ik haar moest schrijven. Daarnaast had ik die dag een deadline.

Ik stelde het antwoord uit.

Mijn zakelijke mail over het reisverhaal aan de redacteur was vergelijkbaar met de mail van de vrouw. Het bericht bevatte meerdere vragen: wat vond hij van het idee voor het reisverhaal? Wat dacht hij van de route?  Ik begon ook over de onkosten die wilde hebben en ik gooide een balletje op over een fotograaf die ik wilde meenemen en hoe veel zij zou kosten.

Het is niet zo gek dat hij het antwoord uitstelde. Een zakelijke mail is geen brief waar mensen voor gaan zitten met een kop koffie, ze willen snel door met hun werk.

Je kunt een mailwisseling volgens mij vergelijken met een gesprek. Als iemand vijf minuten aan het woord blijft, verlies je je aandacht.

In het vervolg van deze post krijg je 7 tips voor minder langdradigheid in je mails.

Read more

eindredacteur

‘Het is kinderachtig’, zei een collega laatst tegen me. ‘Maar als ik een een mailtje krijg van een eindredacteur met wijzigingen in mijn artikel, is mijn eerste reactie: Wel verdomme! Wat een onzin! ‘Later besef ik altijd dat de eindredacteur eigenlijk wel een punt heeft en mail ik iets braafs terug.’

Zelf reageerde ik in mijn beginjaren als freelance journalist te snel en te verbolgen als de redactie kritiek uitte op één van mijn artikelen. Ik stuurde vaak per omgegaan een mail terug.  ‘Dat woord in de laatste regel kun je echt niet veranderen.’ Ik heb zelfs ooit iets belachelijks gemaild als: ‘Ik denk echt dat het stuk goed is zonder deze wijzigingen, als jij vindt van niet, dan moet je het maar niet publiceren.’

Onlangs zat ik aan de andere kant van de tafel. Ik viel in als eindredacteur bij een tijdschrift en deed mijn uiterste best om nuttige opmerkingen te plaatsen bij artikelen van freelancers.

Een paar dagen later hing één van de auteurs aan de telefoon. Hij klonk lichtelijk verontwaardigd en deed eigenlijk al mijn opmerkingen af als gezeur. Kortom: hij reageerde zoals ik zelf zo vaak heb gereageerd.

Ik denk dat iedere schrijver of journalist soms in deze valkuil trapt. Weinig werk is zo persoonlijk als schrijven: een tekst komt rechtstreeks uit jezelf, het zijn jouw gedachten, maar dan op papier. Als iemand je artikel meteen wil veranderen, voelt het een beetje alsof een kind dat je net hebt gebaard onmiddellijk een facelift krijgt, omdat het te lelijk is.

Kortom: een schrijver vat kritiek van de eindredactie volgens mij vaak onbewust te persoonlijk op, terwijl de eindredacteur simpelweg het verhaal beter wil maken.

Ik verbied mezelf daarom al enkele jaren om verbolgen te reageren op kritiek van eindredacteuren. Als ik een kritisch mailtje ontvang, ga ik een rondje hardlopen of een nachtje slapen om ‘de navelstreng’ met mijn artikel door te knippen.

Daarna kijk ik nog eens naar de wijzigingen met deze 7 geboden in gedachten.

Read more

tijdsplanning

De hoofdredacteur van een tijdschrift waarvoor ik schrijf, belde vorige week dat mijn artikel nog niet goed genoeg was. Ze vroeg of we de tekst even konden doornemen.

Het is altijd een kleine dreun als je werk ter discussie staat, dus ik sprong op uit mijn stoel en klikte het nieuwsstukje waar ik aan werkte weg. In de bijkamer van mijn coworking-kantoor voerde een gesprek over wat er aan het artikel schortte.

Toen ik terugkwam bij mijn laptop, was ik nog steeds een beetje uit mijn doen. Ik vergat het nieuwsstukje waar ik mee bezig was en begon met opstellen van achterstallige rekeningen. Daarna nam ik me voor om het bekritiseerde artikel te verbeteren.

Totdat ik me besefte dat ik een telefonische interviewafspraak was vergeten, dus ik pakte de telefoon, maar ik was te laat. De geïnterviewde was niet meer bereikbaar. Ik werd boos op mezelf en kon me nauwelijks nog concentreren.

Toen ik naar huis ging, had ik het gevoel dat de dag een loopje met me had genomen. Op dat moment schoot me een advies te binnen dat ik kreeg van een druïde, een Keltische priester die ik twee jaar geleden interviewde .

Read more

Eerste versie

Vorig jaar vloog ik naar Seoul om een reportage te maken over een kliniek waar honden worden gekloond. Ik vertrok vrij plotseling, omdat ik de geboorte van een hond zou bijwonen (en geboortes lastig te plannen zijn). Niet handig, want diezelfde week moest ik een verhaal over het menselijk biologisch ritme inleveren bij een andere opdrachtgever. Ik besloot een eerste versie van het artikel in het vliegtuig te tikken.

Ik legde de lat hoog. Het moest een goede eerste versie zijn, zodat ik me in Seoul op het verhaal over de honden kon concentreren.

De vlucht begon goed. Toen ik op het vliegveld aankwam, hoorde ik dat de economy class was volgeboekt. Mijn ticket was omgezet naar eerste klas. Zittend in mijn luxe stoel typte ik de eerste alinea’s binnen een halfuurtje. Ik beloonde mezelf met een drankje en wat nootjes en las mijn begin nog eens over.

Dat viel tegen.

Read more

schrijven is schrappen

Journalist en AKO-literatuurprijswinnaar Jeroen Brouwers hanteert een harde stelregel: wie vaker dan drie keer ‘maar’ op een pagina gebruikt, mag zich geen schrijver noemen.*
Toen ik dat las, heb ik mijn laatste artikel voor de Volkskrant (over een bezoek aan Tsjernobyl) even onder de loep genomen. Daar ga ik meteen in de fout. In de eerste 300 woorden komt vier keer het woord ‘maar’ voor. Hopelijk besluit de eindredactie nog het een en ander te schrappen, zodat mijn naam als schrijver wordt gered.

Oké, de regel van Brouwers is misschien wat overtrokken. Maar hij stipt wel een belangrijk punt aan. We hebben als schrijvers en journalisten allemaal een paar troetelwoordjes – meestal signaalwoorden zoals ‘maar’, ‘als’ en ‘uiteindelijk’ waarmee we de lezers zo soepel mogelijk door het verhaal denken te loodsen.

Read more

artikel schrijven

Wat heeft het schrijven van de eerste zinnen  van een artikel met bier te maken? Toen ik stage liep als journalist bij het populair wetenschappelijk tijdschrift KIJK had ik daar nooit over nagedacht. Urenlang zat ik te broeden op het begin van mijn eerste grote verhaal, een artikel over de geschiedenis van vleesetende planten.

Zeker vijf keer schreef ik een eerste alinea, vijf keer wiste ik de tekst ook weer. Uiteindelijk liep ik het kantoortje van wijlen hoofdredacteur Monique Punter binnen, een beetje ontmoedigd. ‘Het lukt niet’, zei ik. ‘Ik heb enorm veel leuke en grappige informatie gelezen over vleesetende planten. Geen enkele eerste zin lijkt goed genoeg.’

Punter lachte een beetje en haalde haar schouders op.

Read more

Pitchen

Mijn eerste ervaring met het pitchen van ideeën voor artikelen beleefde ik op de School voor Journalistiek. Ik vond mezelf heel wat en stuurde een paar voorstellen naar het populair wetenschappelijk tijdschrift KIJK.

De hoofdredacteur antwoordde met een kort mailtje. ‘We hebben niet zulke goede ervaringen met mensen van de School voor Journalistiek. We werken eigenlijk alleen met universitair opgeleide schrijvers. Daarnaast zijn alle ideeën die je voorstelt al eens uitgevoerd.’

Ik wilde het al opgeven. Maar aan het einde van het mailtje, stond een zin die me een klein beetje hoop gaf. ‘Je ideeën zijn weliswaar al uitgevoerd, maar ze zaten wel in de goede richting. Je kunt altijd wat nieuwe voorstellen pitchen.’

Die twee zinnetjes geven precies weer wat ik zo leuk vind aan mijn werk als journalist. Het maakt uiteindelijk niet zo veel uit wie je bent en wat voor opleiding je hebt gedaan. Of je nu verpleegkunde of Chinees hebt gestudeerd, wanneer je een origineel idee voor een artikel bedenkt, maak je altijd een kans.

In de afgelopen jaren heb ik veel ideeën verkocht aan redacties, maar ik ben ook regelmatig op mijn bek gegaan (toen ik een verhaal over het reuzenei op de foto probeerde te pitchen bijvoorbeeld). Hieronder lees je wat ik ervan heb geleerd.

Read more